Oud-Katholiek Groningen

Preken op onveranderlijke feesten | Preek kerkwijding 2016

Preek bij de inwijding van de St. Martinuskerk Groningen

Zondag 4 september 2016

Johannes 17, 6-26 en Genesis 28, 10-18

Zusters en Broeders,

Een stille tocht. In wijk of stad is iets erg gebeurd. Een geweldsdelict. Mensen zijn erdoor geschokt en droefheid dreigt als sluier over de toekomst te blijven hangen. De geborgenheid is stuk, de gemeenschap gebroken. De situatie slaat de betrokkenen met stomheid. In stilte tast je naar elkaars handen en je grijpt ze. Stilte helpt je je te geven. Daarom schept het verbondenheid. En van woordenloosheid verandert de stilte in echo van vriendschap.

In het grote kantoor van de Verenigde Naties in New York heeft de tweede secretaris-generaal van de organisatie, Dag Hammarskjöld,  een stilteruimte laten inrichten. “Dit huis, toegewijd aan werk en overleg ten dienste van de vrede, moet één ruimte hebben, die toegewijd aan de stilte (…)”, schrijft in een toelichting die nog steeds naast de deur van die ruimte hangt. En hij voegt eraan toe: “Het is de bedoeling in deze kleine ruimte een plek te creëren waar de deuren open kunnen staan naar de oneindige landen van gedachten en gebed.” En zo is het ook in deze stad met al het heftig lawaai van mensen die zich uitsloven om het eigen gelijk te bewijzen, moeten ruimten gecreëerd worden die toegewijd zijn aan de stilte. Anders kan er nooit vrede komen, nooit een samenleving waar mensen elkaars hand grijpen en vasthouden.

Stilte schept ruimte, lege ruimte die vrijheid biedt: je mag zijn wie je bent. Zoals de slaap ook lege ruimte is. Dromen krijgen er een kans. In wakende toestand worden ze uit je geest verdrongen door je eigen betweterig lawaai. We lazen uit het boek Genesis hoe Jacob de slaap zoekt. Voor hem is het een vlucht op dat ogenblik in zijn leven. Hij is moe, van de achtervolging door zijn broer én van zijn eigen valsheid. Hij wil  verdwijnen in de slaap. Hij schakelt zichzelf als het ware uit. Zijn valse geest met zijn scheve intenties wordt op non-actief gezet. Het maakt dat de droom een kans krijgt. In de stilte van de slaap vallen alle maskers en kan de stem van God gehoord worden en komt verbondenheid tot stand. Dan blijkt ook hoe stom Jacob bezig geweest is door te proberen alles en iedereen te manipuleren, naar eigen hand te zetten dus. Hij heeft de geborgenheid zelf kapot gemaakt. Toch spreekt de droom van zegen en verbondenheid. Jacob heeft de relatie met de hemel zelf verbroken, maar… de hemel komt naar hem toe, de hemel komt op aarde. In de stilte van de slaap. Opnieuw ontwaakt stapelt Jacob enkele stenen op elkaar tot een merksteen, een gedenksteen. Hij overgiet ze met olie want hier raakt de hemel de aarde. Hier is een heilige plaats. Hij zalft de stenen zoals men een koning zalft. Een koning moet uitbeelden hoe God naar mensen omziet. Op de stille plek van dit hoopje stenen heeft Jacob het ervaren.

Zo meteen wordt het altaar van dit huis gezalfd. Het is de tafel waar we aan de Heer onze gaven aanbieden. Wat er groeit op de aarde: brood en wijn, maar ook onze arbeid en onze moeite, onze vreugde en ons verdriet, ons hele zijn. We bieden het aan met de bedoeling dat we het uit de handen van de Heer terug ontvangen, maar dan anders, omgevormd tot liefdesgave aan elkaar en aan deze stad, aan de wereld. Zoals de Heer Jezus zelf ook liefdesgave geworden is. Zo’n omvorming kan alleen in de stilte gebeuren. Daarom eren we de stilte ook in dit huis. Laat het een kleine oase van stilte worden in de drukke stad.

Laat het een lege ruimte zijn die gevuld kan worden met Gods stoutste dromen. Dan wordt het als een open plek in een dichtbegroeid woud waar de zon toegang krijgt. En zonder het licht van de zon kan niets of niemand leven. Daarom hebben we bij het binnenkomen de Paaskaars aangestoken: teken van Jezus, de zon van Gods vriendschap voor mensen. En we zegenden de doopvont: een klein meertje – als je wil – dat ons mag herinneren aan de Rode Zee of aan de Jordaan: we trekken erdoorheen naar het beloofde land. Zo is het, want deze ruimte wordt gevuld met Gods stoutste dromen – ik zei het al – en daarom wordt het mogelijk je hier anders te gedragen. Hier worden we toegesproken met de liefste woorden die ooit tot mensen gericht werden. Daartoe is deze ambo gewijd. Hier valt geen onvertogen woord waardoor een mens gekwetst zou kunnen worden!

Op die manier worden we in deze ruimte en rond dat altaar door God zelf tegemoet getreden. Zoals in het verhaal van Jacob: de engelen dalen de trap af, God komt opnieuw op deze aarde, in deze chaotische mensenwereld. Daarvan spreekt de stilte van dit huis. In de stilte van dit huis vinden elkaars handen. Rond dit altaar worden we ‘nieuw wij’.

In het evangelie dalen we af in de stilte van Jezus’ hart. Jezus bidt. Die helende bewustzijnsbeweging die in staat is de diepste afgronden te overbruggen. (Willem Jan Otten)  Dit gebed wordt door Johannes in zijn evangelie op een dramatisch ogenblik geplaatst. Jezus is zich ervan bewust dat zijn uur gekomen is. De passage waarvan dit gebed het kernstuk vormt, opent met het wassen van de voeten van de leerlingen. Onovertroffen teken van dienstbaarheid en vriendschap. Een teken dat tot het hart spreekt. Zo is het ook met dit gebed. Misschien doet de taal je wel duizelen, het is bij wijle moeilijk te volgen. Het lijkt een hersenkraker.  Het Vierde Evangelie heeft er meer van. Maar wie op de sfeer van dit gebed let, die wordt vooral geraakt door de tederheid die eruit spreekt. Hier is iemand aan het bidden die van God én van mensen houdt en die al biddend hun verbondenheid ervaart. Ik citeer en parafraseer:

Jou behoorden ze toe, Vader – deze mensen – mij heb je ze gegeven…zij hebben geloofd dat jij mij gezonden hebt…bewaar hen in uw naam opdat ze één mogen zijn zoals wij…omwille van hen wijd ik mij aan Jou…Jouw naam heb ik hun geopenbaard…opdat de liefde waarmee jij mij hebt liefgehad, in hen moge zijn en ik in hen. – laat het toch mogelijk zijn dat ze elkaar vinden en dat ze Jou vinden, dat ze door Jou aan elkaar toevertrouwd worden als elkaars kostbaarste bezit omdat ze Jouw kostbaarste bezit zijn, dat ze ervaren dat zij Jouw lust en Jouw leven zijn….

Alleen iemand die leeft vanuit de dienstbaarheid van de voetwassing is in staat zo te bidden. Alleen wie van zijn ego ontdaan en stil geworden is, kan de trilling van Gods’ vriendschap ervaren die in dit gebed besloten ligt.

Jezus’ lot was een schok voor de leerlingen. Ontgoocheling en verdriet hingen als een sluier over hun leven. Zoals ook ons dat kan overkomen. Precies dan zijn de stilte van dit huis en deze tafel waarover we olie gegoten hebben, belangrijk. Je hoort hier de echo van de vriendschap, Gods vriendschap. Hier strekt God de handen naar ons uit om ons te zegenen én om ons tot bron van zegen te maken. In de stilte van dit huis tasten we naar elkaars handen en naar de handen van allen die ons nodig hebben. Hier tasten we naar deze stad die op onze vriendschap wacht.

Jezus’lot laat een leegte achter. Die leegte is hier niet afwezig. Een kerkgebouw is geen romantische ruimte waar de scherpe kantjes van het leven voor even voor het gemak tussen haakjes geplaatst worden. Maar die leegte wordt gevuld met een nieuwe verbondenheid die door God op de dood veroverd werd. Als tijdens een stille tocht, groeit hier, met elke eucharistieviering, de ervaring dat het anders moet en anders kán. Van de stilte van dit huis, heeft ons ego niet terug. Gods tedere vriendschap is hier onbetwist en de echo van Gods vriendschap onweerstaanbaar. Hier worden we tot eenheid gebracht want het geloof in de vrede mag in deze stad niet ten onder gaan! In de stilte van dit huis worden we overschaduwd door Gods Geest die ons kan doen uitgroeien naar de maat van Jezus, het kind van Gods genade. Gods Geest wijdt ons hier toe aan elkaar en aan deze stad, zoals Jezus aan mensen werd toegewijd.

Plek van menswording: dát is dit huis. Voor ons en voor de velen wiens handen we willen grijpen. Daarom werd dit huis gebouwd. Daarom gieten we olie over deze tafel. Daarom is de stilte van dit huis geen teken van stomheid, maar van verbondenheid. Zijn deuren staan open naar de oneindige landen van Gods stoutste dromen.

Amen.

mgr. Joris Vercammen

Aartsbisschop van Utrecht

Bewaren

Bewaren

Bewaren